Een unieke molen!

Wat is het unieke aan de Oostmolen en wat is een torenkotmolen? Een gewone houten staakmolen rust op teerlingen. Bij een torenkotmolen werden de teerlingen vervangen door een ringmuur waar de voet van de molen op rust. Zo creëerde men een extra ruimte waar werktuigen konden worden opgesteld, in ons geval dus een olieslagerij.

De beweging van de wieken wordt naar het torenkot overgebracht via een verticale ijzeren as die dwars door de staak van de molen loopt.
De Oostmolen is het enige nog bestaande voorbeeld van een torenkotmolen. In onze molen wordt in het torenkot dus olie geslagen, terwijl in de houten molenkast graan tot meel wordt gemalen.

Graanmolen

In de Oostmolen liggen de maalstenen boven op de steenzolder in de molenkast. We hebben 2 koppels maalstenen. Die stenen bevinden zich in een houten meelkist. De onderste steen ligt stil (de ligger) terwijl de bovenste steen (de loper) rond draait.

In de maalstenen bevinden zich groeven; het "scherpsel" genoemd. Het graan wordt in een opening in het midden van de bovenste steen gestort. In de molen gebeurt dit door een schuddebak. Het graan wordt tussen de twee stenen vermalen en verder naar de buitenkant gedreven.

Het volkorenmeel loopt daarna door een meelpijp naar beneden waar het wordt opgevangen in een zak op de meelzolder.

De olieslagerij

Om tot olie te komen waren er 3 bewerkingen nodig: het pletten van het zaad, het verwarmen van het geplette zaad om de olie gemakkelijker te laten vloeien en daarna het persen van het tot olie.

Het pletten van het zaad gebeurde met pletstenen, dit bestaat uit één liggende steen (het doodsbed) en twee rechtopstaande kantstenen die erover rollen. Onder de pletstenen kwam ongeveer 50 kg zaad tegelijk in bewerking. Bij een stevige, regelmatige wind was dit in ongeveer een halfuurtje geplet!

Het verwarmen van het geplette zaad gebeurde in de vuister (een gemetselde oven, afgedekt met een ijzeren plaat). De rook van die oven verdween via rookkanalen naar buiten, maar vaak was ook de molen binnenin redelijk zwart van het roet. Het zaad kwam in de bodemloze pan terecht en werd verwarmd tot zo'n 40° Celsius. Het roerijzer zorgde voor een gelijkmatige verwarming. Het verwarmde zaad werd daarna opgevangen in juten zakjes om naar de laatste bewerking over te gaan.

De zakjes worden nu in een verstevigende "envelop" geplaatst. Deze wordt in de perslade geplaatst tussen twee jachtijzers, daarnaast bevindt zich de slagwig. Boven die slagwig hangt een hei (lange massieve balk van circa 250 kg.) Deze hei wordt door windkracht opgetild en valt zo telkens met zijn volle gewicht op de wig, deze wordt steeds verder naar beneden geslagen. Daardoor wordt de druk op het zaad zo groot dat de olie er uitgeperst wordt. Een wig in de tegenovergestelde richting (loswig) met bijhorende hei zorgt ervoor dat de hele zaak na afloop weer los komt te zitten.

De zaden bevatten ongeveer 30 à 35% olie, maar niet alles kan eruit gehaald worden! Daarom is er vaak een 2de persing nodig: de naslag. Dan nog zal men met moeite die 35% halen! Het residu, de koek, kan nog dienen voor dierenvoer.

Copyright Gistelsemolens.be